„Erik!" roept Bob als hij met twee handen
Jeroentje
op de grond probeert te houden. „Haal jij boven even
snel een schone luier."
„Nee! Nee!" gilt Jeroentje meteen en begint
nog
harder te spartelen. „Niette gone luie, luie isse niet,
luie isse weg!"
„Ja, nou," moppert Erik en blijft in de
keuken uit
het raam staren. Zeker een beetje met luiers lopen
slepen.
„Erik!" klinkt het dreigend. „Schiet nou op,
ik hou
dit niet veel langer."
Jeroentje ligt op de grond, zijn beentjes
recht de
lucht in. Om zijn mond trilt even een klein lachje.
Dan werpt hij zichzelf in een bochtje, met zijn voetjes
krachtig in de richting van Bobs buik. Bob staat als
een spin met lange poten over Jeroentje heen gebo-
gen. Wat niet betekent dat Jeroentje hem niet raken
kan.
„Erik!" roept Bob benauwd. „Schiet op met
die
luier!"
„Olcee dan," zucht Erik en sloft langzaam de
trap
op.
Als Jeroentje hem ziet verdwijnen, begint
hij hard te
huilen.
„Nee, hè," zegt Bob. Hij gaat naast
Jeroentje op
de grond zitten. „Niet ook nog eens huilen. Alsje-
blieft!"
Maar Jeroentje heeft groot verdriet. Met een
bibbe-
rend vingertje wijst hij naar de deur, waardoor Erik
net verdwenen is. Om nooit meer terug te komen,
denkt Jeroentje. „Ejikpele," snikt Jeroentje.
„Nee Jeroentje," zegt Bob. Hij doet erg zijn
best
geduldig te klinken. „Jeroentje gaat nu lekker naar
zijn bedje toe. Morgen. Morgen mag Jeroentje weer
met Erik spelen."
„Nee!" roept Jeroentje en meteen floept hij
over-
eind. „Ejik toe!" En voor Bob hem kan grijpen, rent
hij ervandoor. Met wankele beentjes, alsof de vloer
een ijsbaan is, wiebelt hij de bocht om en krabbelt
snel verder naar de deur. Met twee handjes gaat hij
aan de deurknop hangen en trappelt wild met zijn
voetjes in de lucht, tot de deur met Jeroentje en al
openzwaait. Bob zit verslagen op het vloerkleed in
de kamer.
„Ejik toe. Ejik toe," mompelt hij. „Niette
gone luie.
Neenee, niette gone luie." Hij schudt wijs met zijn
hoofdje als iemand die alles gelukkig veel beter weet